nieuwsbrief

Schrijf je hier in

Nieuwe insolventiewet ook op vzw’s van toepassing

16-5-2018

Op 1 mei trad een nieuwe insolventiewet in werking.

De wet van 11 augustus 2017 vervangt de Wet Continuïteit Ondernemingen van 31 januari 2009 en de Faillissementswet van 28 oktober 1997 en zorgt voor de invoering van een nieuw Boek XX “Insolventie van ondernemingen” in het Wetboek Economisch Recht.

Een nieuwigheid van de nieuwe insolventiewetgeving betreft het verruimde personele toepassingsgebied: ze is, behoudens enkele uitzonderingen (overheden en publiekrechtelijke rechtspersonen) van toepassing op alle ondernemingen. Waarbij de definitie, opgenomen in artikel XX.1, alle rechtspersonen kwalificeert als onderneming.

Dat betekent concreet dat alle vzw’s (en internationale vzw’s en stichtingen) onder het toepassingsgebied vallen. Ze is echter niet van toepassing op organisaties zonder rechtspersoonlijkheid die geen uitkeringsoogmerk hebben en die ook geen uitkeringen verrichten aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van de organisatie. ‘Feitelijke verenigingen’ blijven dus buiten het toepassingsgebied.

Faillietverklaring

Belangrijk is het gevolg: vzw’s kunnen voortaan juridisch failliet worden verklaard. Concreet betekent dat dat er, zowel proactief als curatief, een aantal nieuwe instrumenten worden aangereikt aan vzw’s in moeilijkheden.

Onder het luik vermijding van faillissementen valt de opsporing van ondernemingen in moeilijkheden: de ‘kamers voor ondernemingen in moeilijkheden’ gaan knipperlichten detecteren zoals achterstallige bijdragen voor rsz, bedrijfsvoorheffing of btw, en kunnen (de bestuurders van) de vzw in kwestie aansporen om daar verantwoordelijkheid in te nemen. Een toelichting geven, bijvoorbeeld, aan de kamer over de ondernomen acties tot herstel.

In het slechtere scenario komt de verantwoordelijkheid neer op het tijdig lanceren van een faillissement om te vermijden dat de schulden nog langer nodeloos aantikken.

Maar er is ook een doorstartscenario: de ‘gerechtelijke organisatie’, die ondernemingen met een afdeling of activa die nog te redden zijn, een herstelperiode en -procedure toestaat om in relatieve rust een doorstart voor te bereiden. Daartoe moeten ze dan wel een geloofwaardig herstelplan maken dat de ‘gedelegeerd rechter’ en de schuldeisers kan overtuigen om een minnelijk akkoord, een collectief akkoord of een overdracht onder gerechtelijk gezag toe te staan.

Aansprakelijkheid

Het verruimde toepassingsgebied houdt in dat ook een aantal specifieke aansprakelijkheidsgronden in het kader van faillissement van toepassing worden op vzw’s. Zijn daarbij geviseerd: de personen die benoemd zijn (geweest) tot bestuurder, zaakvoerder, dagelijks bestuurder, lid van het directiecomité of lid van de raad van toezicht, maar ook de personen die in de praktijk werkelijke bestuursbevoegdheid hebben (gehad) zonder officieel benoemd te zijn geweest in een mandaat.

Concreet gaat het over drie potentiële aansprakelijkheidsgronden:
1. aansprakelijkheid in geval van een kennelijke grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement (Art. XX.225 WER),
2. aansprakelijkheid voor rsz-schulden in geval van betrokkenheid als (feitelijk) bestuurder bij minstens 2 faillissementen met onbetaalde rsz-schulden gedurende de laatste 5 jaar (Art. XX.226 WER),
3. aansprakelijkheid in geval van “wrongful trading” (men wist of behoorde te weten dat er kennelijk geen redelijk vooruitzicht was om een faillissement te vermijden en men heeft niet gehandeld als een normaal voorzichtig en zorgvuldig bestuurder, in dezelfde omstandigheden geplaatst) (Art. XX.227 WER).

Belangrijk is dat de eerste en derde aansprakelijkheidsgrond volgens de nieuwe insolventiewet niet van toepassing zijn op ‘kleine’ vzw’s (zie http://scwitch.be/opensource/boekhouding/).
Bestuurders van kleine vzw’s moeten er wel rekening mee houden dat de 3de, de “wrongful trading” aansprakelijkheidsgrond al voor de nieuwe insolventiewetgeving door de rechtspraak werd toegepast (op basis van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek). Het is dus niet uitgesloten dat (bepaalde) rechtspraak dat ook in de toekomst zal blijven doen.

De aansprakelijkheidsgronden op basis van de eerste en tweede grond betekenen voor vzw-bestuurders een verhoogde potentiële aansprakelijkheid. Deze verhoogde aansprakelijkheid moet echter genuanceerd worden voor ‘kleine vzw’s’: enkel de aansprakelijkheid voor rsz-schulden in geval van herhaald faillissement is op hen van toepassing.

Moraal

Voor alle organisatiebesturen maakt de nieuwe wetgeving dat enkele gulden regels nu ten volle gelden: regelmatig de status van doorstorting van rsz, bedrijfsvoorheffing en btw en toetsing van de tussentijdse rekeningen aan de begroting agenderen, de impact opvolgen van wijzigende financiering (bv. subsidieregelingen), zo nodig en mogelijk het sociaal passief verhogen, de liquiditeits- en solvabiliteitsratio’s opvolgen. Met een goede notulering die het wikken en wegen en vergelijken van diverse opties weergeeft, illustreren die regels dat het bestuur zich vooruitziend en voorzichtig gedragen heeft.

Reacties

Geef een reactie

Open Source Services Do-it-yourself Ask An Expert
Over Scwitch Contact