nieuwsbrief

Schrijf je hier in
Dirk Deschrijver

De toekomst van de rechtspersonenbelasting

18-7-2016

In het voorstel van het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht over een herschikking van het rechtspersonenrecht zouden vzw’s onbeperkt ondernemingsactiviteiten kunnen ontplooien [1], zoals dat nu al het geval is voor stichtingen.

Disputen over de al dan niet “bijkomstigheid” van “nijverheids- of handelsactiviteiten” zouden daardoor naar de Griekse kalenden worden verwezen.

Volgens M. Denef (in haar blog) laat het zich echter vermoeden dat een liberalisering van de activiteiten voor verenigingen een impact zal hebben op de belendende regelgeving, waaronder het belastingrecht. Ze geeft het voorbeeld van de inkomstenbelastingen, waarin al dan niet “bijkomstige nijverheids- of handelsactiviteiten” tot nader order, of beter tot nader wijziging, wel een relevante opdeling blijven voor toepassing van de rechtspersonen- dan wel vennootschapsbelasting. Zonder aanpassing van de fiscale regelgeving blijft volgens de auteur de onzekerheid, gebaseerd op de criteria voor de bijkomstigheid, alvast bestaan.

De hoofdoorzaak voor die onzekerheid is zoals men weet gelegen in de lage kwaliteit van het wetgevend werk dat werd geleverd in het kader van de wet van 3 november 1976. Bovendien heeft de toenmalige wetgever zich, anders dan Odysseus, niet kunnen onttrekken aan de gezangen van een aantal bijzondere belangengroepen. Wat zich ook weerspiegelt in de artikelen 181 en 182 WIB 1992, die tot een geheel van onsamenhangende en soms tot eigenaardige interpretaties aanleiding gevende bepalingen, zoals in de “Oxfam”-rechtspraak, waar zelfs gesteld werd dat de betrokken wereldwinkel wel een economische bedrijvigheid uitoefende, maar geen nijverheids- of handelsmethoden gebruikte…

Zou de wetgever ertoe overgaan om naar aanleiding van zulke voorgestelde wijziging in het verenigingsrecht ook de voornoemde fiscale bepalingen te wijzigen, in die zin dat het criterium van de bijkomstigheid wordt verlaten, dan komt onvermijdelijk een ruimere toepassing van de vennootschapsbelasting in het zicht. Maar wil of kan de wetgever wel zover gaan? Wellicht is het nuttig dat voorafgaand aan zulk wetgevend ingrijpen alsnog enig denkwerk zou worden verricht, wat sinds 1919, wat de status van verenigingen in de inkomstenbelastingen betreft, in onvoldoende mate is gebeurd. Daarbij kunnen de volgende vragen enige richting geven.

Blijft de rechtspersonenbelasting als zodanig naast de vennootschapsbelasting bestaan of wordt er voor alle rechtspersonen (dus ook vennootschappen) voortaan maar één belasting geheven? Wordt dan ook voor verenigingen zonder winstoogmerk (en stichtingen) een globaal inkomensbegrip ingevoerd? Zulk begrip zou gunstig zijn voor organisaties die zich globaal in een verliespositie bevinden, bijvoorbeeld door het feit dat hun (bijkomende) economische bedrijvigheid ernstig verlieslatend is, in die zin dat zij – anders dan nu in de rechtspersonenbelasting het geval is – die verliezen wel van hun andere bruto-inkomsten zouden kunnen aftrekken. Eerder betaalde roerende voorheffing die nu in de rechtspersonenbelasting niet terugbetaalbaar is (art. 293 WIB 1992), zou in dat geval ook worden terugbetaald.

Weliswaar zou, om met de specifieke kenmerken van de verenigingen zonder winstoogmerk rekening te houden, bijvoorbeeld in een vrijstelling of in een lagere taxatie kunnen worden voorzien voor inkomsten uit een economische bedrijvigheid die worden besteed in het kader van de niet-economische doelstelling.

Lidgelden, schenkingen en legaten zouden fiscaal ook kunnen worden gelijkgesteld met het gestort maatschappelijk kapitaal van een vennootschap, en aldus ook niet belastbaar zijn. Op dat “eigen vermogen” zou dan eveneens de aftrek voor risicokapitaal kunnen worden toegepast.

Ook de bepaling van artikel 12, § 1 WIB 1992 (de vrijstelling van onroerende voorheffing met betrekking tot de voor een bepaald ideëel doel aangewende onroerende goederen) zou in dit stelsel kunnen behouden blijven (zelfs voor vennootschappen). Zou zulke vrijstelling ook meteen niet kunnen gelden voor inkomsten uit roerende goederen die aangewend zijn voor bepaalde ideële doeleinden? Bijvoorbeeld voor dividenden uit beleggingen in duurzame ondernemingen?

Zou er wellicht aanvullend ook enige inspiratie kunnen worden gevonden in het Nederlandse stelsel van de “algemeen nut beogende instellingen” (ANBI), om een nog meer omvattend stelsel van een welwillende taxatie van “echte” verenigingen zonder winstoogmerk tot stand te brengen? Zo betaalt een ANBI geen erf- of schenkbelasting voor erfenissen en schenkingen die de instelling gebruikt voor het algemeen belang. Als een ANBI zelf schenkingen doet in het algemeen belang, dan hoeft de ontvanger geen schenkbelasting te betalen. Een ANBI komt in aanmerking voor teruggaaf van energiebelasting. Vrijwilligers die voor een ANBI werken, doen daarmee onder bepaalde voorwaarden een gift aan de organisatie. Schenkers van een ANBI mogen hun giften aftrekken van de inkomsten- of vennootschapsbelasting (dat is zoals men weet ook in België voor bepaalde erkende verenigingen het geval). Weliswaar moet een ANBI zich voor minstens 90% inzetten voor het algemeen belang. Artikel 5, b, 3 van de Nederlandse algemene wet inzake rijksbelastingen stelt dat als algemeen nut in de zin van die bepaling wordt beschouwd: welzijn; cultuur; onderwijs, wetenschap en onderzoek; bescherming van natuur en milieu, daaronder begrepen bevordering van duurzaamheid; gezondheidszorg; jeugd- en ouderenzorg; ontwikkelingssamenwerking; dierenwelzijn; religie, levensbeschouwing en spiritualiteit; de bevordering van de democratische rechtsorde; volkshuisvesting; een combinatie van de bovengenoemde doelen, alsmede het financieel of op andere wijze ondersteunen van een algemeen nut beogende instelling. Het aanmerken als een algemeen nut beogende instelling of als culturele instelling geschiedt op verzoek van de instelling. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking eventueel onder door hem te stellen voorwaarden. Het eigen vermogen van de organisatie moet beperkt blijven. De beloning voor bestuurders is beperkt tot een onkostenvergoeding of minimale vacatiegelden, een actueel beleidsplan is vereist en een redelijke verhouding tussen kosten en bestedingen. Geld dat overblijft na opheffing van de organisatie, wordt besteed aan een ANBI met een soortgelijk doel.

Er blijven in het geheel van zulke oefening weliswaar ook uitdagingen voor de wetgever bestaan. Zo engageerde de federale regering zich in het regeerakkoord van 9 oktober 2014 om het “fiscaal systeem te hervormen, te vereenvoudigen en te moderniseren, met het oog op een daling van de globale fiscale en parafiscale druk, zonder de budgettaire situatie te verslechteren” (p. 78). Een van de principes waarop deze hervorming zou steunen, was het creëren van een “loyale fiscale concurrentie” tussen de “privésector en de overheidssector”. Zo was het de bedoeling om intercommunales (en ook samenwerkingsverbanden en projectverenigingen) voortaan “van nature” aan de vennootschaps­belasting te onderwerpen. Dat gebeurde ook, door de artikelen 17 e.v. van de programmawet van 19 december 2014. In een advies had de Raad van State zich weliswaar nog afgevraagd of ook andere in artikel 180 WIB 1992 vermelde instanties (die nog altijd wel uitdrukkelijk uit het toepassingsgebied van de vennootschapsbelasting uitgesloten zijn), niet op dezelfde wijze zouden moeten worden behandeld, zoals onder meer de gemeentelijke autonome havenbedrijven van Antwerpen, Oostende en Gent, en de autonome havens van Luik, Charleroi en Namen. De Raad van State had geen ongelijk om dat op te merken. Recent werd immers door de Europese Commissie een “diepgaand” onderzoek aangevat juist inzake de verenigbaarheid van het bijzondere belastingstelsel voor havens in België en Frankrijk met de Europese staatssteunregels. Bij het bedenken van een nieuw belastingstelsel voor verenigingen zonder winstoogmerk (en stichtingen) zou de wetgever daar ook aandacht moeten aan besteden.

Overigens bleek dat de wetgever op 19 december 2014 ook onvoldoende rekening had gehouden met de specifieke aard van sommige intercommunales, daar uit artikel 86 van de programmawet van 10 augustus 2015 blijkt dat de automatische uitsluiting uit de vennootschapsbelasting (dus wel rechtspersonenbelasting) dan toch van toepassing blijft voor de intercommunales, samenwerkingsverbanden, projectverenigingen, autonome gemeentebedrijven en verenigingen die, in het kader van hun maatschappelijk belang, hoofdzakelijk een ziekenhuis uitbaten (in de zin van artikel 2 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 op de ziekenhuizen en andere verzorgings­instellingen) of een instelling die oorlogsslachtoffers, mindervaliden, bejaarden, beschermde minderjarigen of behoeftigen bijstaat (art. 180, 1° WIB 1992). En zelfs in 2015 heeft de wetgever bij het invoeren van deze correctie nog onvoldoende nagedacht. Hij vergat het fiscale stelsel van de ziekenhuizen die niet uitgebaat worden door een intercommunale, in de wet nader te preciseren.

Dirk Deschrijver

[1] Zie ook in de zin een voorstel om de “wettelijke beperking op nijverheids- en handelszaken bij de VZW” te schrappen, zoals reeds in 2008 geformuleerd door A. COATES, J. VAN STEENBERGE en M. DENEF (“Juridische aspecten eigen aan de ondernemingen in de sociale economie. Onderzoeksdeel 1: Onderzoek juridische statuten”, p. 61).

Reacties

Geef een reactie

Open Source Services Do-it-yourself Ask An Expert
Over Scwitch Contact