nieuwsbrief

Schrijf je hier in
Marleen Denef

VZW: onderneming zonder grenzen?

19-4-2016

Geen beter moment dan de lancering van een nieuwe dienstverlener voor VZW’s om te freewheelen over de toekomst van de VZW.

  • Voor wie het nog niet wist: het Belgisch Centrum voor Vennootschapsrecht (BCV) broedt al enige tijd op een aantal hervormingsvoorstellen voor het Wetboek van Vennootschappen. In het ideaal scenario voor het BCV wordt ook de VZW-wet van 27 juni 1921 “ingekanteld” in een ruimer wetboek van vennootschappen en verenigingen. De synthesenota met de moderniseringsvoorstellen van het BCV werd door Koen Geens, minister van justitie, trouwens als uitgangspunt voor zijn hervormingsplannen voorgesteld in de Kamercommissie op 6 oktober 2015 ( St. Kamer, 2015-2016, nr. 1500).
  • Markant voorstel voor VZW’s betreft de opheffing van de beperkingen op “nijverheids- of handelszaken” in artikel 1 VZW-wet. Dit zou betekenen dat vzw’s in de toekomst mogelijk onbeperkte ondernemingsactiviteiten mogen ontplooien en zich dus geen zorgen meer moeten maken over de “bijkomstigheid” van de “nijverheids- of handelsactiviteiten”.
  • De piste van de liberalisering van de activiteiten van de vzw ben ik in abstracto zeker genegen. Meer nog, ik heb er in mijn proefschrift van 2002 ook een lans voor gebroken. Ik had nochtans eerder al ondervonden in de parlementaire commissies ter voorbereiding van de wet van 2 mei 2002, dat dergelijke opheffing  op tegenkanting stuitte van belangenorganisaties van andere actoren met economische activiteiten.
    De destijds voorgestelde liberalisering heeft het toen niet gehaald. Meer dan 15 jaar later is het een interessante vraag of de geesten in die mate verruimd zijn dat een liberaliseringsvoorstel niet langer tot weerstand zal leiden bij de klassieke ondernemingsfederaties. Het zal in elk geval een belangrijke vereiste zijn om het liberaliseringsvoorstel slaagkansen te geven in het parlement.
  • Bovendien is het onduidelijk of de werkgeversfederaties uit de socialprofitsectoren vragende partij zullen zijn voor de opheffing: bij gebrek aan raadpleging in het voortraject van het BCV is dat momenteel nog af te wachten. Vanuit de praktijkervaring opgedaan als advocaat die dagelijks met en voor vzw’s werkt, kan ik me wel al een paar bezorgdheden inbeelden. Zo laat het zich vermoeden dat een liberalisering van de activiteiten voor VZW’s een impact zal hebben op de belendende regelgeving.
    Zo bijvoorbeeld de fiscaliteit waar in de directe inkomstenbelasting de al dan niet “bijkomstige nijverheids- of handelsactiviteiten” tot nader order, of beter tot nader wijziging, wel een relevante opdeling blijven voor toepassing van de rechtspersonen- dan wel vennootschapsbelasting. Zonder aanpassing van de fiscale regelgeving blijft daar de onzekerheid, gebaseerd op de criteria voor de bijkomstigheid, dus alvast bestaan.
    Maar ook de faillissementsreglementering die integraal van toepassing zou worden op alle “ondernemingen” met “economische activiteiten”, inclusief VZW’s. Ook al wordt er een uitzonderingsstelsel voorgesteld voor “kleine VZW’s” volgens nog te bepalen drempels, strengere vermoedens voor oprichters- en bestuursaansprakelijkheid en andere liquidatiestelsels zullen vanuit een eenmakingsgedachte het logische gevolg zijn.
  • Bovendien wordt het voor de subsidiegevers niet eenvoudiger om de aanwending van subsidies te combineren en controleren bij gemengde activiteiten. Zeker als die doorslaan naar een overgewicht voor de economische activiteiten, zal de stakingsvordering op grond van artikel VI.104 WER weer opduiken. Vandaag is die vordering door misnoegde concullega’s gebaseerd op het argument van de onwettige mededinging wegens schending van de bijkomstigheidsgrenzen en dus van artikel 1 VZW-wet.
    Naar komend recht zonder beperking op commerciële/economische activiteiten zal de vordering niet verdwijnen, maar eerder gestoeld zijn op argumenten van oneerlijke mededinging, marktbederf of oneerlijke prijszetting wegens zgn. onrechtmatig concurrentievoordeel door subsidiëring.
    Het valt dus niet uit te sluiten dat de subsidiereglementering toch strenger zal worden en, in afwijking van een liberalisering in de lex generalis (artikel 1 VZW-wet), een verstrenging zal invoeren in de lex specialis die specifieke werkvormen reguleert.
  • Uiteraard zal het laatste woord hierover toekomen aan het parlement. Ongeacht hoe de parlementaire debatten rond de liberalisering van de VZW-activiteiten ook zullen beslecht worden, de positionering van de VSO staat daar mijns inziens los van. In beide gevallen is de VSO naar mijn overtuiging de meest geschikte rechtsvorm om de “sociale onderneming” in de toekomst vorm te geven. Initiatieven rond vennootschapsvormen die financiële impact combineren met sociale impact, zoals recent goedgekeurd in Luxemburg (société d’impact sociétal), Italië (società benefit) en Frankrijk (entreprise de l’économie sociale et solidaire), illustreren alvast dat een afschaffing van een hybride vennootschapsstructuur zoals de VSO ons eerder achteruit zal zetten in de Europese klas.
    Maar daarover meer in een volgende blog…

 

Marleen Denef
vennoot Curia
docent KU Leuven-campus Brussel

foto marleen denef en team

Reacties

Geef een reactie

Open Source Services Do-it-yourself Ask An Expert
Over Scwitch Contact